1. opsomming
In een tekstdeel staan bijvoorbeeld de kenmerken van iets of iemand genoemd. Je krijgt dan dus een opsomming van kenmerken. Je spreekt pas van een opsomming als er meer dan twee elementen zijn.
In pretpark Walibi zijn vele attracties. Er
is een achtbaan en een draaimolen. Verder is er een grote glijbaan.
Daarnaast
is Walibi beroemd om zijn waterbaan.
| Signaalwoorden: en, ook, verder, bovendien, daarnaast, voorts, niet alleen…maar ook, zowel…als, noch…noch, daar komt nog bij dat, ten eerste (op de eerste plaats), ten tweede, ten derde, ten slotte, enzovoort. |
2. tegenstelling
In een tekstdeel wordt een tegenstelling aangegeven met een ander tekstdeel.
Celien houdt niet van pretparken, maar
haar broer Sam is er verzot op.
| Signaalwoorden: maar, echter, doch, toch, daarentegen, integendeel, evenwel, enerzijds…anderzijds, aan de ene kant…aan de andere kant, in tegenstelling tot, desondanks, daar staat tegenover, niettemin, of…of. |
3. reden/argument
In een tekstdeel wordt uit de doeken gedaan wat de reden van iets is of wat het argument van iemand is om zus of zo te doen.
Celien gaat niet in de achtbaan, want
zij heeft hoogtevrees.
| Signaalwoorden: want, aangezien, omdat, immers, namelijk, derhalve, daarom, vanwege, ... |
4. oorzaak-gevolg
In het ene tekstdeel is de oorzaak van iets gegeven en in het volgende tekstdeel het gevolg, of omgekeerd.
Celien heeft erg lang in de draaimolen gezeten
(oorzaak). Daardoor is ze een beetje misselijk geworden (gevolg).
| Signaalwoorden: doordat, daardoor, waardoor, hierdoor, met als gevolg, ten gevolge van, dit is te danken/wijten aan, de oorzaak hiervan is, zodat, bijgevolg, dan ook, dientengevolge. |
5. doel-middel
In een tekstdeel wordt aangegeven wat het doel van iets is en in een volgend tekstdeel staat dan een middel om dat doel te bereiken. Het kan ook zijn dat eerst het middel en pas daarna het doel genoemd wordt.
Om niet uit de achtbaan te vallen, werd
Celien met behulp van een stevige band aan haar stoel vastgeketend.
| Signaalwoorden: opdat, om, daartoe, met de bedoeling, waarmee, door middel van, met (be)hulp van. |
6. uitleg/toelichting
In een tekstdeel wordt bijvoorbeeld een verklaring gegeven en in het volgende tekstdeel wordt die verklaring verder uitgewerkt.
In de meeste pretparken worden de apparaten
goed gecontroleerd. Zo moeten achtbanen dagelijks door de technische
mensen gecontroleerd worden.
| Signaalwoorden: dat houdt in, dat wil zeggen, preciezer geformuleerd, zo, met andere woorden, bijvoorbeeld, ter illustratie. |
7. voorbeeld
Een tekstdeel bevat een voorbeeld of enkele voorbeelden bij een eerder tekstdeel. Soms is het moeilijk om aan te geven of het om een uitleg/toelichting gaat of om een voorbeeld. Sommige signaalwoorden kunnen beide verbanden aangeven.
In veel ronddraaiende attracties worden mensen
misselijk. Sam bijvoorbeeld heeft daar veel last van.
| Signaalwoorden: bijvoorbeeld, ter illustratie, zo, zoals, stel, neem. |
8. voorwaarde
In een tekstdeel staat dat iets is besloten of vastgelegd. In het volgende tekstdeel wordt dan toegevoegd dat er voorwaarden aan het besluit zijn verbonden.
Celien wil wel in de achtbaan, als Sam
met haar meegaat.
| Signaalwoorden: als, indien, wanneer, mits, op voorwaarde dat, tenzij. |
9. relativering
Iemand beweert in een tekstdeel iets, maar relativeert dat in een volgend tekstdeel.
Celien is doodsbenauwd voor achtbanen. Ondanks
dat gaat zij er toch in.
| Signaalwoorden: hoewel, ofschoon, ondanks dat, weliswaar, tenzij. |
10. vergelijking
In het ene tekstdeel wordt een vergelijking gemaakt met iets uit het voorafgaande tekstdeel.
Sam vindt achtbanen heerlijk. Hij vindt dat
net
zoiets als vliegen.
| Signaalwoorden: alsof, evenals, eveneens, evenzeer, op dezelfde wijze, hetzelfde is het geval, in vergelijking met, net als, vergelijk. |
11. samenvatting
In een tekstdeel worden de hoofdpunten van de hele tekst samengevat. Een samenvattend tekstdeel vind je meestal aan het einde van een tekst.
Samenvattend kunnen we dus zeggen dat
Celien pretparken vooral eng vindt en dat Sam ze erg leuk vindt.
| Signaalwoorden: samenvattend, kortom, om kort te gaan. |
12. conclusie
In een tekstdeel wordt uit de voorafgaand tekst een conclusie getrokken. Ook een concluderend tekstdeel vind je meestal aan het einde van een tekst.
Omdat Sam erg van pretparken houdt, vindt hij
het dus niet leuk wanneer Celien meegaat.
| Signaalwoorden: dus, concluderend, de slotsom is, dat betekent. |
13. tijd
In een tekstdeel wordt de tijd van de gebeurtenis weergegeven. Dit hoeft
niet altijd een exact tijdstip te zijn.
Sam was dus erg opgelucht, toen Celien
eindelijk zei dat ze naar huis wou.
| Signaalwoorden: eerst, dan, daarna, toen, vroeger, voordat, tot nu toe, plots, plotseling, reeds, al, wanneer, terwijl, nadat,... |